Zelfbenoemde voedselwaakhond Foodwatch vecht naar eigen zeggen voor rechten op eerlijk, veilig en gezond eten. Maar hoe eerlijk en transparant is Foodwatch zelf?

“Ik geef mijn kinderen dus nooit meer een rijstwafel. Die zitten vol met gif! Net zoals rijst, de verpakking is kankerverwekkend, wij kopen het niet meer.”

Het was een gesprek op een verjaardag dat mijn aandacht direct trok. Het was een gesprek tussen een aantal bezorgde ouders over voedsel voor hun kinderen. Een stel had op Facebook de berichten van ‘voedselwaakhond Foodwatch’ gelezen en dit stel was op missie om de andere ouders er van te overtuigen dat zij hun kinderen aan het vergiftigen waren. De persberichten van Foodwatch werden tijdens die avond gretig gedeeld via de app. ‘Nepnieuws’ vond de één, de andere rende nog net niet naar huis om de rijstwafels ritueel te verbranden. Er bleven na afloop van de gifdiscussie een hoop vraagtekens bij mij achter. Waarom zijn er nog rijstwafels en rijst te koop als ze vol gif zitten en vooral, wie of wat is Foodwatch?

De aanleiding van deze discussie is een alarmerend bericht dat Foodwatch eind 2017 naar buiten bracht, de gehaltes anorganisch arsenicum in babyvoeding zou boven de wettelijke norm liggen. Foodwatch had het Institute for Global Food Security, Queen’s University Belfast rijstproducten uit de Nederlandse winkels die specifiek zijn gericht op baby’s en peuters laten onderzoeken.

In zes van de 24 producten uit de steekproef zou een hoger gehalte anorganisch arsenicum gevonden zijn dan wettelijk is toegestaan, meldde Foodwatch. De testresultaten werden in hetzelfde bericht afgezwakt door te melden dat het uiteindelijk om drie producten zou gaan waarbij de wettelijk toegestane hoeveelheid anorganisch arsenicum is overschreden. Foodwatch sloot het bericht af met “Uiteraard betreft het hier een momentopname, waaruit niet geconcludeerd kan worden dat de producten van deze merken in het algemeen hoge gehaltes anorganisch arsenicum hebben.” Foodwatch liet in het Parool* optekenen dat het vond dat bedrijven ‘zich duidelijk onvoldoende inspannen om kankerverwekkende stoffen uit babyvoedsel te houden en geven ouders bovendien onverantwoord voedingsadvies dat geen rekening houdt met blootstelling aan arsenicum’.

Dat bedrijven onvoldoende inspanning leveren is kort door de bocht van Foodwatch. Niet alleen de NVWA is belast met de controle op rijstproducten, de Europese Unie heeft een van de hoogste voedselveiligheidsnormen ter wereld – grotendeels dankzij de solide reeks EU-wetgeving die ervoor zorgt dat voedsel veilig is voor de consument. Een sleutelinstrument om ervoor te zorgen dat de informatiestroom naar een snel reagerende reactie wanneer risico’s voor de volksgezondheid in de voedselketen worden vastgesteld, is het Rapid Alert System for Food and Feed (RASFF).

RASFF is het snelle waarschuwingssysteem voor voedsel en diervoeders. RASFF, opgericht in 1979, maakt het mogelijk informatie efficiënt te delen tussen haar leden en biedt een 24-uurs service om ervoor te zorgen dat dringend meldingen worden collectief en efficiënt verzonden, ontvangen en beantwoord. Dankzij het RASFF zijn in de afgelopen jaren veel risico’s voor de voedselveiligheid afgewend voordat ze schadelijk voor de Europese consument zouden kunnen zijn geweest.

Het is zorgelijke dat Foodwatch heeft gekozen voor een generaliserende en alarmerende titel, om zelf het eigen onderzoek af te zwakken in de afsluiter en niet kloppende informatie over controle op rijstproducten naar buiten te brengen.

Foodwatch langs de meetlat

Foodwatch is naar eigen zeggen Dé voedselwaakhond, ‘een kritische maatschappelijke organisatie zonder winstoogmerk, die vecht voor rechten op eerlijk, veilig en gezond eten.’ Met onderzoeken, campagnes en rechtszaken, en via media-aandacht en gesprekken met de overheid wil Foodwatch als consumentenrechtenorganisatie een belangrijke tegenkracht voor de macht van de industrie zijn. In 2002 richtte voormalig Greenpeace-directeur Thilo Bode in Duitsland Foodwatch op. In 2010 werd een Nederlandse loot van Foodwatch geopend. Het internationale karakter omvat momenteel slechts drie landen: Nederland, Duitsland en in Frankrijk sinds 2014.

Elk jaar reikt Foodwatch in Nederland het Gouden Windei uit voor ‘het meest misleidende voedselproduct’ van het jaar. Foodwatch haalt daarnaast regelmatig het nieuws met koppen als ‘Gif op aardbeien uit de supermarkt blijken zes keer giftiger te zijn dan ander fruit’, ‘Geen framboos in frambozensap’, ‘Verpakkingen rijst zijn kankerverwekkend’ en ‘Arsenicum in rijstwafels’.

Hoe transparant is Foodwatch zelf?

In dit artikel probeer ik te achterhalen wat voor organisatie Foodwatch is en hoe zij werken. Dit doe ik door in te zoomen op:

  1. De mensen achter Foodwatch
  2. De financiën
  3. De werkwijze & onderzoeken
  4. Angst als strategie

1. De mensen achter Foodwatch

Foodwatch-oprichter Thilo Bode is zoals eerder genoemd een voormalig Greenpeacedirecteur. Van 2002 tot 2017 heeft hij Foodwatch Duitsland geleid, sinds 2017 is hij directeur van Foodwatch International. Foodwatch heeft nog steeds een duidelijke Greenpeace-achtergrond. In de besturen van Foodwatch Duitsland, Foodwatch Nederland en Foodwatch Frankrijk zitten voormalige Greenpeace-medewerkers. De duidelijke link met Greenpeace hoeft niets te impliceren, al rijst wel de vraag in hoeverre de agenda van Foodwatch wordt beïnvloed door Greenpeace, met zo’n ruime vertegenwoordiging in Foodwatch. Een verdere blik op de teams van Foodwatch laat zien dat er géén medewerkers zijn die voedingskundige zijn of ervaring hebben in de voedselindustrie.

De man die het meest het nieuws in Nederland haalt met zijn onderwerpen is Sjoerd van de Wouw, ‘campaigner kindermarketing en misleidende reclame’. Sjoerd van de Wouw is geen onbekende in de politiek en de voedselindustrie. In 2006 was Van de Wouw als adviseur betrokken bij de fractie in de Tweede Kamer van de Partij voor de Dieren. Het leidde tot bezorgde reacties van het CDA en de PVV, toen bekend werd dat Van de Wouw in 1992 samen met Volkert van der Graaf de Vereniging Milieu-Offensief had opgericht. Ook andere medewerkers van Foodwatch Nederland hebben een achtergrond bij NGO’s. Ilse Griek, directeur Foodwatch Nederland heeft ervaring opgedaan bij de Verenigde Naties en Vluchtingenwerk Nederland. Campaigner Gevaarlijke Stoffen Corinne Cornelisse heeft bijna acht jaar als fractiemedewerker voor de Partij voor de Dieren gewerkt. Ook bij de teams van Foodwatch Duitsland en Frankrijk zien we een zelfde achtergrond van de medewerkers.

2. De financiën

Foodwatch is een stichting. Een stichting is een organisatie die erop gericht is een bepaald doel te verwezenlijken. Een stichting mag winst maken, maar de uitkering hiervan moet een ideële of sociale strekking hebben. Het aantal leden en donateurs van goede doelen daalt al jaren maar, ‘ondanks het lagere ledental gaat het financieel niet minder: de inkomsten stijgen. Dit bleek vorig jaar uit onderzoek van het Vara-radioprogramma Vroege Vogels. Vroege Vogels doet dit onderzoek jaarlijks vanaf 1991 Foodwatch laat een zelfde beeld zien. De uitgaven (lasten) van Foodwatch zijn in zeven jaar tijd vervijfvoudigd en het aantal donaties kan deze stijging niet opvangen. Foodwatch heeft jaarlijks een tekort, zo valt te lezen in de jaarverslagen Een tekort dat jaarlijks wordt aangevuld door Foodwatch Duitsland door middel van een renteloze lening. In de jaarverslagen van Foodwatch Nederland staat vermeld dat Foodwatch Duitsland een langlopende lening met 0% rente aan Nederland heeft verstrekt om ‘op te bouwen’. De leningen lopen precies in lijn met het tekort van Foodwatch Nederland. In totaal heeft Foodwatch Duitsland een lening uitstaan van meer dan een half miljoen euro. Op deze wijze weet Foodwatch Nederland het oplopend tekort jaarlijks te dichten. Elk jaar wordt de lening van Foodwatch Nederland aan Foodwatch Duitsland hoger. In totaal staat de lening anno 2017 op een uitstaand bedrag van € 550.000,-

Oplopende lening verstrekt aan Foodwatch Duitsland door Foodwatch Nederland

2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016
€ 150.000 € 180.000 € 180.000 € 270.000 € 330.000 € 435.000 € 550.000

Foodwatch laat in een reactie hierop weten:

‘Wij hadden per 31.12.2016 een lening van € 550.000 van foodwatch Duitsland. Conform wetgeving en regels voor jaarverslaggeving in Duitsland is foodwatch Duitland verplicht om uitstaande leningen, waarvan zij op korte termijn geen terugbetaling verwachten, af te waarderen naar €0. Omdat dit niet wil zeggen dat de schuldpositie vervalt, moet foodwatch NL deze conform de Nederlandse regels voor de jaarverslaggeving, wel verantwoorden.’

Hoe en waar verantwoordt Foodwatch Duitsland deze leningen aan haar donateurs? Foodwatch Frankrijk -het derde land waar Foodwatch actief is- heeft zelfs helemaal geen financiële verantwoording online staan. Het bedrag dat aan donaties in Nederland door Foodwatch binnen wordt gehaald, zal menig klein goed doel doen watertanden.

2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016
€ 8.839 € 245.329 € 297.615 € 337.881 € 380.406 € 326.023 € 457.816

In het jaarverslag over 2015 staat een bedrag van € 326.023 benoemd dat aan donaties is binnenkomen. Bron: pagina 5 jaarverslag

Cijfers over het aantal donateurs in de eerste jaren van Foodwatch zijn niet te vinden. Krap 6.000 donateurs leverden in 2016 Foodwatch in totaal € 457.816 op.

Aantal donateurs Foodwatch

2013 2014 2015 2016
2.138 3.126 4.237 5.914

Foodwatch laat weten:

‘Er waren eind 2016 5.914 structurele donateurs, plus 1.495 eenmalige donateurs. De totale inkomsten 2016 bedroegen €457.816. Hiervan werd €344.339 ontvangen van particulieren. Van organisatie zonder winststreven hebben wij €27.100 ontvangen.” De organisatie zonder winststreven waar Foodwatch Nederland op doelt is Foodwatch Duitsland blijkt uit het jaarverslag 2016.’

Totale inkomsten 2016: € 457.816
Totaal donaties 2016: € 371.439
—————————————————–
Verschil: € 86.337

Wie is de gulle schenker die achter de € 86.337 zit en waarom is Foodwatch niet transparanter over de geldstromen?

NB. Foodwatch laat desgevraagd weten, dat het bedrag € 84.640 moet zijn en dit bedrag wederom afkomstig is van Foodwatch Duitsland.

5.914 donateurs voor Foodwatch in 2016, Ter vergelijking met een aantal bekende Nederlandse goede doelen:

  • Wereld Natuur Fonds: 920.000 donateurs
  • Natuurmonumenten: 873.000 donateurs
  • Greenpeace: 580.000 donateurs
  • Dierenbescherming: 160.000 donateurs
  • IFAW NL: 150.000 donateurs
  • Vogelbescherming: 150.000 donateurs
  • Milieudefensie: 87.500 donateurs
  • Foodwatch: 5.914 donateurs

Aan de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) vroeg ik hoe ze naar de donateurs van Foodwatch kijken:

‘De NVWA heeft geen inzicht in de donateurs van Foodwatch en kan dus niet beoordelen of de term ‘onafhankelijke voedselwaakhond’ correct is.’

Het is de vraag namens wie Foodwatch spreekt, gezien het aantal donateurs is dit slechts een klein deel van donerend Nederland. Zoals zij zich presenteren in de media lijken zij echter namens heel bezorgd Nederland te praten. Ook de NVWA lijkt hierover bezorgd te zijn. Op de vraag of de NVWA risico’s ziet in het ontbreken van verantwoording van donaties zeggen zij:

‘De NVWA signaleert dat onderzoeken van Foodwatch in de media veel aandacht krijgen en dat dit een relevante vraag is. Het is echter niet aan de NVWA om deze vraag te beantwoorden.’

Uit onderzoek blijkt dat Foodwatch de afgelopen zeven jaar geen goed doel is geweest volgens het CBF, het CBF is de toezichthouder voor goede doelen in Nederland. Foodwatch is de afgelopen zeven jaar lang niet geaccrediteerd geweests bij het CBF. Zij geven het keurmerk ‘de Erkenning’ uit aan goede doelen die voldoen aan strenge kwaliteitseisen. Deze Erkende Goede Doelen mogen het ‘Erkend Goed Doel’- logo voeren, waarmee donateurs weten dat de zaken op orde zijn.

Foodwatch laat weten dat zij een ANBI-instelling zijn. De Belastingdienst duidt dat als volgt: “Algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) kunnen gebruikmaken van bepaalde belastingvoordelen bij erven, schenken en de energiebelasting. Instellingen die wij als ANBI aanwijzen, hebben deze belastingvoordelen.”
Kortom, een ANBI-erkenning was vooral in het voordeel van Foodwatch. Eind mei van dit jaar ontving Foodwatch het keurmerk van het CBF.

3. De werkwijze & onderzoeken

Er zijn vanzelfsprekend meer organisaties die zich bekommeren om de consument en voedselveiligheid. De World Health Organisation (WHO) is wereldwijd actief, in Nederland is toezichthouder de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (hierna de NVWA) actief. Het Voedingscentrum doet veel aan onderzoek en voorlichting op het gebied van voedsel en ook de Europese consumentenorganisatie BEUC roert zich met grote regelmaat over deze thema’s. Een aantal organisaties laten bij navraag weten niet of nauwelijks contact te hebben met Foodwatch. Sommige organisaties wilden officieel niet reageren op de verhoudingen met Foodwatch, positief waren ze allen echter niet. Ondergetekende kan ook bevestigen dat Foodwatch tijdens de onderzoeksfase van dit artikel niet de meest vriendelijke organisatie is om mee samen te werken. Zo ver bekend worden er in ieder geval géén experts uitgewisseld aan Foodwatch door de erkende instanties. Ook wordt er niet tot nauwelijks samen opgetrokken richting centrale thema’s.

Het Voedingscentrum wilde alleen kwijt op de vraag of en hoe zij samenwerken met Foodwatch:

‘We hebben af en toe met elkaar contact over activiteiten en standpunten; soms verschillen we van mening, soms ondersteunen we elkaars informatie.’

In plaats van een signaalfunctie en een samenwerking met de NVWA, opent Foodwatch regelmatig de aanval. Foodwatch meldde vorig jaar in een persbericht:

‘NVWA is een tandeloze toezichthouder dat door jarenlange bezuinigingen, fusies en politieke spelletjes er onvoldoende in slaagt de voedselveiligheid in Nederland te borgen.’

In 2015 haalde Foodwatch ook fors uit naar de NVWA. Foodwatch beschuldigde de NVWA van al jaren ‘bewust ruimte voor misleiding te laten als het gaat om strengere wettelijk eisen voor wat op etiketten staat’.

In een reactie over de samenwerking met Foodwatch laat de NVWA weten:

‘De NVWA neemt de resultaten van voedseltesten van Foodwatch serieus en neemt deze mee in de prioritering en planning van haar eigen toezicht. De NVWA is het echter niet in alle gevallen eens met de interpretatie die Foodwatch aan de testresultaten geeft. Dit geldt ook voor de interpretatie door Foodwatch van de testresultaten van de NVWA. Daarnaast geeft de NVWA in zijn algemeenheid regelmatig een andere duiding aan de gevaren en risico’s die consumenten volgens Foodwatch lopen door chemische stoffen in voedsel (zoals verwoord in de nieuwsbrieven van Foodwatch).’

Het woord ‘Waakhond’ in de term Voedselwaakhond impliceert dat er wordt gewaakt over de veiligheid van het voedsel. Niet alleen is het waken over al het voedsel praktisch onmogelijk met een dergelijk klein team, ook onderzoek wordt sporadisch gedaan. Het kleine bedrag dat jaarlijks aan onderzoek wordt besteed maakt dit duidelijk. Foodwatch had een verantwoording op de website staan dat 20% van de totale kosten (Met de kleine disclaimer dat het percentage gebaseerd is op de totale kosten in 2014) besteed wordt aan onderzoek. Dit is een dermate klein bedrag dat aan onderzoek wordt besteed, dat het de vraag is wat er daadwerkelijk onderzocht kan worden.

Het is daarnaast totaal onduidelijk welke partijen structureel onderzoeken uitvoeren voor Foodwatch. Dit maakt het lastig om de claims die Foodwatch doet, te controleren. Ook blijft het onduidelijk of er bijvoorbeeld survey’s bij consumenten worden uitgezet of zelf onderzoek naar voedingsmiddelen wordt gedaan. De vraag is welke criteria en methodes Foodwatch hanteert voor de testen en onderzoeken. Hoe bepaalt Foodwatch of bepaalde normen worden overtreden en of iets niet door de beugel kan? Het blijft onbenoemd in de jaarverslagen van Foodwatch.

Op mijn verzoek of Foodwatch hun onderzoekspartners openbaar wilde maken:

‘Wij doen verschillende typen onderzoek. Ook laten wij voedselproducten onderzoeken in externe labs. Hoe vaak precies verschilt per jaar; in 2016 bijvoorbeeld 3x. Daarvoor gebruiken wij EU-geaccrediteerde laboratoria.’

Drie keer in heel 2016 heeft Foodwatch laboratoriumonderzoek laten doen. Dat is schrikbarend weinig voor een voedselwaakhond. Daarnaast worden de onderzoekspartners nog steeds niet bij naam genoemd. Foodwatch gaat met voedselproducenten en supermarkten om alsof ze Russisch Roulette spelen. Het is dan eigenlijk puur toeval wanneer Foodwatch iets ontdekt door middel van onderzoeken dan dat er een breed programma achter zit. Als je als voedselproducent of supermarkt Foodwatch achter je aan krijgt, is dat in wezen pure pech. Hoe groot was immers de kans?

De NVWA laat desgevraagd over de onderzoeken weten :

‘Wat betreft interpretatie van meetresultaten en de duiding daarvan is de handelwijze van Foodwatch meestal niet conform de handelwijze van de NVWA.’

Dit maakt het heel lastig voor consumenten. Bij elke claim die Foodwatch doet, staat de NVWA er vaak minder heftig in. Het is het ene woord tegen het ander. De consument moet zelf bepalen wie hij of zij gelooft. Het is de ‘dappere kleine voedselwaakhond’ tegen de ‘onbetrouwbare en in slaap sussende overheid‘ en ‘machtige’ producenten, zo presenteert Foodwatch zichzelf.

4. Angst als strategie

Het verdienmodel van Foodwatch lijkt zich toe te spitsen op het creëren en vasthouden van angst. Zolang consumenten het idee hebben dat ze continu in gevaar worden gebracht door voedselproducten en supermarkten zal Foodwatch blijven groeien. Als producent en/of supermarkt is het lot na zo’n claim in de media al bezegeld. Alles wat daarna gezegd wordt, is een bevestiging van het negatieve vermoeden bij de consument, een kritische kanttekening soms daargelaten.

De PR-strategie van Foodwatch is daarom bewonderenswaardig. Als kleine speler regelmatig de ‘headlines’ in de media weten te bereiken is een knappe prestatie. Het gevaar van ‘overschreeuwen’ ligt echter op de loer. Er moeten steeds forsere claims of verwijten worden gedaan om de media te halen en donateurs te behouden en te verwerven.

De NVWA hierover in een reactie:

‘Foodwatch hanteert andere normen dan de NVWA. Dit zou er toe kunnen leiden dat consumenten het vertrouwen in de veiligheid van ons voedsel verliezen.’

Angst is nooit een houdbare strategie. Met het Voedingscentrum, de NVWA en het RIVM als bevoegde instanties heeft Nederland genoeg organisaties die hier mee belast zijn en meer én betere instrumenten hebben om te bepalen wat er door de beugel kan en wat niet. Daarnaast spant de Federatie Nederlandse Levensmiddelenindustrie (FNLI) zich (ook) in voor een gedegen bescherming van de consument, o.a. door de leden voor te lichten over wat wel en wat niet mag en ook over wat weliswaar niet bedreigend is voor de gezondheid maar wat wel als mogelijk misleidend wordt beschouwd.

Foodwatch is voedselmarketingwaakhond

Foodwatch neemt de claims van supermarkten en producten onder de loep en doen hier uitspraken over. En dat is goed! Producenten en supermarkten nemen soms een loopje met de waarheid. Foodwatch moet zich dan ook profileren als voedselmarketingwaakhond. Ze moeten vooral claims, etiketten en reclames blijven checken en waar nodig dit aankaarten bij de bevoegde instanties om hier op te acteren en één keer per jaar het Gouden Windei blijven uitreiken. De opstelling van Foodwatch richting deze bevoegde instanties zal dan wel moeten veranderen (en vice versa). Op voet van oorlog staan met alle betrokken instanties werkt enkel contraproductief.

Tot slot: Iedereen heeft recht op een mening, maar niet het recht op eigen feiten

Ik vind Foodwatch over te veel zaken niet transparant, het doet nauwelijks onderzoek, is te vaag over eigen geldstromen en houdt zich niet aan eigen verantwoordingen. Een meer kritische en voorzichtigere benadering naar Foodwatch toe is raadzaam. De consument heeft geen behoefte aan zelfbenoemde voedselwaakhonden met alarmerende boodschappen. In dit tijdperk waar de complotten om de oren vliegen, de term ‘nepnieuws’ wordt geroepen als een feit niet uitkomt, is Foodwatch als terugkerend paniekzaaier wel het laatste wat de consument nodig heeft.

De consument moet er op kunnen vertrouwen dat alle betrokken voedselorganisaties het beste met hen voor hebben. Niemand heeft er iets aan dat deze organisaties elkaar beconcurreren, elkaars berichtgeving afbranden en moddergooien via de media. De volledige aandacht moet gaan naar betere samenwerkingen en oplossingen vanuit de organisaties die rondom de voedselindustrie actief zijn. Daar wordt de voedselindustrie en dus de consument (en kinderen die van rijstwafels houden) pas ècht beter van.

Delen
Category
Tags

2 Responses

  1. Beste Bas,

    Wat goed om te zien dat er kritisch wordt gekeken naar Foodwatch! Met veel interesse ben ik je artikel beginnen te lezen. Echter viel mij snel op dat je eerder een anti-Foodwatch houding, dan een objectieve houding hebt. Iets dat me vreemd voorkomt als je juist de onafhankelijkheid van een andere organisatie wil beoordelen.
    Daarnaast heb ik de jaarverslagen van Foodwatch ook bekeken, en zie ik dat de door jou gepresenteerde cijfers over 2016 incorrect zijn, en dat Foodwatch wel degelijk een duidelijk overzicht geeft van de verdeling van haar inkomsten.
    Je haalt grotere organisaties als de WHO en onze eigen NVWA aan alsof ze betere en betrouwbaardere instanties zijn. Heb je hun inkomstenstromen ook onder de loep genomen?
    Ik ben het er volledig mee eens dat de consument moet kunnen vetrouwen op de organisaties die het voedsel aanbieden.
    Maar je uitspraak “De consument heeft geen behoefte aan zelfbenoemde voedselwaakhonden met alarmerende boodschappen.” is daarnaast opnieuw een eigen mening, waar ik het dit keer níet mee eens ben: een zelfbenoemde waakhond die ons als consument bewust kan maken van het bestaan van mogelijk “niet zo blind te vertrouwen voedselaanbieders” vind ik een goede zaak. Ieder individu is er verantwoordelijk voor om zelf keuzes te maken. Omdat we niet allemaal ons eigen onderzoek kunnen doen zullen we altijd moeten vertrouwen op verschillende organisaties. Dat er dan een groep mensen is die aan de bel trekt, is alleen maar goed om de zaken aan het licht te krijgen en goed onderzoek te stimuleren. Dat zij daarvoor extremere termen gebruiken is hun eigen – weliswaar misschien misplaatste – keuze.

    Bedankt voor het doorlichten van organisaties als Foodwatch. Mijn advies: probeer zoveel mogelijk bij objectiviteit te blijven, ook al sta je zelf achter/tegenover de organisatie die je doorlicht.

  2. Voor wat betreft transparantie van Foodwatch; voor dat ik dit artikel vond, had ik op Wikipedia gekeken, maar daar was geen artikel over Foodwatch. Wel werden in diverse artikelen over allerlei bedrijven, acties van Foodwatch genoemd.
    Ik vind het zeer spijtig dat Foodwatch op deze manier verstopt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.